E.H. HUBERT BUYLE ALIAS GERY HELDERENBERG, 95 JAAR GELEDEN AANGESTELD ALS ONDERPASTOOR TE LEDE.

Vorig jaar was het 40 jaar geleden dat priester-dichter Hubert Buyle overleed in Lede en  dit jaar is het 95 jaar geleden dat hij aangesteld werd  als onderpastoor te Lede. Redenen genoeg om hem in herinnering te brengen.

 

Hubert Ferdinand Jozef Buyle werd geboren te Nieuwkerken-Waas op 18 januari 1891. Hij was de enige zoon van de drie kinderen van het gezin Buyle-Buytaert. Hij ging naar de lagere school in zijn geboortedorp waar de zusters van Sint-Vincentius a Paulo van Gijzegem een school hadden opgericht.

Later volgde hij Grieks-Latijnse humaniora aan het Sint-Jozefscollege te Aalst.  Zijn eerste gedichten liet hij nalezen door pater Emile Fleerackers.  Deze pater was een gekend Vlaams schrijver en was van 1904 tot 1908 studiemeester en leraar Nederlands aan dat college in Aalst. Via pater Desiderius Stracke die een brede interesse had in de literatuurgeschiedenis en oprichter was van het Ruusbroecgenootschap, kwam Hubert Buyle  in aanraking met de Vlaamse studentenbeweging.

In 1908 werd Hubert lid van de Wase Kunstkring en kwam hij daardoor in contact met jonge kunstenaars zoals de orgelist Roel Steppe, de schilders Jef De Pauw en Jan Van Puyenbroeck en de hele Piet Stautkring van Beveren.

Hubert liet zijn eerste gedichten verschijnen in “Jong Dietschland” van Lodewijk Dosfel, in de “Vlaamsche Arbeid” en in “Dietsche Warande en Belfort” onder de schuilnaam van Karel van de Vijver. In 1912 liet hij zijn gedichten verschijnen onder de schuilnaam van Lucien van der Meeren in het Nederlandse tijdschrift “Van Onzen Tijd”. 

Een jaar later, in 1913, verscheen zijn poëziedebuut “Poëmata” en nam hij de schuilnaam aan van Gery  Helderenberg.  Deze naam bleef hij  zijn leven lang  gebruiken voor zijn literair werk. “Poëmata” was een dichtbundel die nog onder invloed stond van de “Tachtigers”, een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond  en die voornamelijk  heeft gewerkt op het gebied van poëzie.  

Tijdens zijn opleiding als priester in Gent moest hij opletten dat zijn literaire bedrijvigheid niet te veel opviel bij zijn oversten. Men vond het niet kunnen dat een seminarist zich inliet met zulke dingen als gedichten schrijven. Het kwam voor hen over alsof ze meer met aardse zaken bezig waren dan met hun priesterwerk.

Nadat zijn seminarietijd voltooid was, werd hij tijdens WO I als brancardier ingezet. In 1915 werd hij samen met Aloïs De Maeyer tot priester gewijd in Boulogne door Mgr. Lobbedey, bisschop van Arras.  In deze periode verscheen zijn  enig frontgedicht “Fides Flandriae” of “Trouw aan Vlaanderen”

Na bekomen te zijn van de Spaanse griep werd hij in 1919 benoemd tot onderpastoor in Zarlardinge. Twee jaar later ging hij aan de slag als onderpastoor in Herdersem. 

Op 20 januari 1925 werd hij benoemd tot onderpastoor in Lede. Hier zou zijn parochiewerk voorrang krijgen op zijn dichtkunst. Zijn dichtbundel “Lente-hemel” verscheen wel nog in dat jaar. 

In 1931 zag de dichtbundel “Smeltkroes” het levenslicht. In dit werk  werd hij aangetrokken door een overweldigende beeldentaal van het humanitair expressionisme. Een jaar later, in 1932, ontving hij  de   “August Beernaertprijs” van de “Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde”. In dat jaar verscheen ook “Het Aanbeeld” en dit was  een verlengstuk van de dichtbundel “Smeltkroes”.

Gery Helderenberg was een pionier op het vlak van de spreekkoren. In 1933 kwam het spreekkoor “De Oogst van God” uit, dit was een klein spreekkoor voor kajotsters, gevolgd door “Mysterium Crucis”. Een jaar later, in 1934 verscheen “Als de ziel ontwaakt”, een spreekkoor voor jonge arbeidsters en nog een jaar later kwam “Glorie van de arbeid”.

In 1937 werd hij benoemd tot aalmoezenier van het hospitaal in Geraardsbergen waar de Zwartzusters van de Heilige Augustinus van Aalst waren tewerkgesteld. In 1938 kocht deze congregatie het domein Ronkenburg in Lede, dat later de naam “Huize Ronkenburg” zou krijgen.  Dit groot domein zou in het verdere leven van E.H. Buyle  een belangrijke rol spelen en een inspiratiebron zijn bij tal van zijn gedichten.  Hij werd in 1939 rector in het moederhuis van deze congregatie in Aalst en gaf vanaf 1941 les aan het daaraan verbonden Sint-Augustinusinstituut voor Verpleegkunde. 

 

In 1956 kreeg hij de “Provinciale Prijs voor Letterkunde” voor de bundel “Triomf van de dood”.  

Op 1 juli 1966 nam E.H. Buyle ontslag uit al zijn functies en ging op rust in Huize Ronkenburg in Lede. In 1975 ontving hij de “Grote Driejaarlijkse Staatsprijs”. Een jaar later, in 1976, was hij begonnen aan zijn geestelijk testament dat zich veruitwendigde in de bundel “Itinerarium”. Deze dichtbundel verscheen een jaar voor zijn dood. Het gaat hier om een lang autobiografisch gedicht van 488 verzen. 

E.H. Hubert Buyle,  Gery Helderenberg, overleed te Lede op 9 december 1979 “zondagavond even na 22 u in het Leedse retraitehuis Ronkenburg”.

Bart Van Langenhoven